Wedergeboorte, een hopeloze zaak?

Als je sterft, dan ga je naar de hemel. Daarover lijkt onder gelovige christenen brede overeenstemming te bestaan. Maar hoe zit het eigenlijk in het boeddhisme? Wat zegt dat over wat er met je gebeurt wanneer je komt te overlijden?

De zes werelden in een Tibetaans levenswiel
De zes werelden in een Tibetaans levenswiel

Tja, dat is een goede vraag. Historisch gezien is boeddhisme onlosmakelijk verbonden met een cyclisch perspectief waarin wedergeboorte van leven naar leven als een vanzelfsprekend gegeven geldt.

Welk lot je na je dood beschoren is, hangt af van de ontwikkeling die je tijdens je leven hebt doorgemaakt. In beginsel is de cyclus van geboorte en dood een realiteit voor alle levende wezens.

Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen. Voor arhats, mensen die zich tijdens hun leven een staat van verlichting hebben weten te eigen te maken, stopt de cyclus van geboorte en dood. En in het mahayanaboeddhisme bestaat er ook een bijzondere positie voor bodhisattva’s die de voorlaatste stap op hun spirituele pad hebben bereikt. Zij worden in staat geacht verlichting en wedergeboorte uit te stellen zodat ze andere levende wezens kunnen bijstaan op hun pad naar bevrijding.

Geduld
De overgrote meerderheid van de mensen wordt na de dood echter wedergeboren in een van de zes rijken die het boeddhisme kent: die van de hemelse wezens, demonen, mensen, dieren, hongerige geesten en hellewezens. Denk niet dat dit een zienswijze is uit voorbije tijden. Bijvoorbeeld de Chinees-Taiwanese zenleraar Sheng-yen (1930-2009) stelt in zijn boek Orthodox Chinese Buddhism uit 2007: zo gaat dat na je dood.

Van alle wezens in de verschillende rijken kunnen alleen mensen onderscheid maken tussen goed en kwaad en karma produceren, zegt Sheng-yen. Psychologisch plaatst het boeddhisme er dus een premie op om zoveel mogelijk uit het mensenleven te halen door óf verlicht te raken óf verdiensten te verzamelen om de kans op een gunstige uitgangspositie in een volgend leven te beïnvloeden.

Zoals altijd is de menselijke natuur aan het werk in de voorstellingen over wedergeboorte. Veel geduld lijken mensen nooit gehad te hebben. Als je dan niet in dit leven tot verlichting komt, dan is het fijn om te weten dat je nog maar één keer opnieuw hoeft te worden geboren voordat het wel lukt.

In het Reine Land boeddhisme weet je je verzekerd van een plaatsje tussen de bodhisattva’s in de hemel wanneer je, ongeacht je levensloop, uiterlijk op je sterfbed je toevlucht neemt tot Amida Boeddha. In het zenboeddhisme kun je in beginsel in dit leven tot inzicht komen; je wordt als het ware in het hier en nu wedergeboren, al heeft dit zenboeddhisten de geschiedenis door er niet van weerhouden ook de wedergeboorte na de dood als een religieuze vanzelfsprekendheid aan te nemen.

Er is binnen het boeddhisme helaas niet zo’n uitgekristalliseerde, algemeen aanvaarde opvatting over wat er na je dood gebeurt als binnen het christendom. Dat maakt het ingewikkeld. Wellicht kan dit er bovendien voor zorgen dat mensen het boeddhisme minder makkelijk omarmen.

Herinnering
Maar goed, wedergeboorte dus. Je komt de zes rijken tegen in de afbeeldingen van het levenswiel, het boeddhistische rad van fortuin. Boeddhisme spreekt liever van wedergeboorte dan van reïncarnatie. Bij het laatste, menen veel boeddhisten, is er sprake van een onsterfelijke ziel die van het ene naar het andere lichaam verhuist. Aannemen dat een onsterfelijke ziel bestaat, is niet verenigbaar met het boeddhisme, dat in anatman (niet-zelf) en anicca (impermanentie) zijn hoogste goed ziet.

Is de grens tussen reïncarnatie en wedergeboorte wel zo strikt te trekken? Ik laat graag Gautama Boeddha aan het woord. In de Pali Canon, in de verzameling van de middellange leerredes, staat de Bhayabherava Sutra. Hierin horen we hem als volgt verklaren:

Toen mijn geest aldus geconcentreerd, geheel zuiver, geheel gelouterd, smetteloos, ontdaan van affecten, buigzaam, werkbaar, stabiel en onbeweeglijk geworden was, richtte ik hem op de kennis die bestaat uit de herinnering aan vroegere verblijfplaatsen.

Ik herinnerde mij vele verschillende vroegere verblijfplaatsen, namelijk één leven, twee levens, drie levens, vier levens, vijf levens, tien levens, twintig levens, dertig levens, veertig levens, vijftig levens, honderd levens, duizend levens, honderdduizend levens, vele tijdperken van inkrimping, vele tijdperken van uitdijing, vele tijdperken van inkrimpen en weer uitdijen.

‘Op die en die plaats heette ik zo en zo, hoorde ik tot die en die familie, was ik van die en die stand, voedde ik me zo en zo, ervoer ik dat en dat geluk en ongeluk, werd ik zo en zo oud. Toen ik dan vandaar wegviel, ben ik hier verschenen.’

Aldus herinnerde ik mij in bijzonderheden en details vele verschillende vroegere verblijfplaatsen.

(vertaling door Jan de Breet en Rob Janssen)

Zulke passages komen in de Pali Canon vaker voor. Wat we hier de Boeddha horen zeggen, lijkt op het eerste oog gevaarlijk dicht in de buurt te komen van het soort continuïteit in verandering waar boeddhisme zich tegen verzet. De vraag die dan ook meteen moet worden gesteld, is: als er iets is dat wordt wedergeboren, wat is dat dan?

Kringloop
Hier stuiten we op de kern van het boeddhisme, de leer van het voorwaardelijk ontstaan. In moderne taal: energie is altijd en eeuwig onderhevig aan kringloop zonder begin en einde. Als een aantal voorwaarden bijeenkomen, treedt in deze kringloop een bewustzijn op als een factor in een bepaald soort krachtenveld (skandha’s). Dit bewustzijn brengt een zelfervaring met zich mee die ook onze voorstelling van ons lichamelijk bestaan omvat.

In werkelijkheid is er echter niet iets dat is onderworpen is aan de dood. Er bestaat geen ‘zelf’ dat vergaat. Het ‘zelf’ dat we menen waar te nemen, is een constructie die in uiteindelijke zin niet houdbaar is. Kijken we diep in de realiteit zoals deze echt is, dan zien we dat we ieder moment opnieuw geboren worden. Zo kunnen we de werkelijkheid van geen-geboorte en geen-dood leren kennen. Er opent zich een ruimte waarbinnen we eraan kunnen werken ons wedergeboortebewustzijn te laten uitdoven.

Dit is de positie die Thich Nhat Hanh, de Vietnamese zenleraar, inneemt in zijn boek Geen dood, geen vrees (2008). De ervaring van onze lichamelijke en mentale verschijningsvorm bestaat zo lang er aan bepaalde condities is voldaan. Vallen die voorwaarden weg, dan desintegreert onze fysieke verschijning en neemt de energie die wij vertegenwoordigen, andere gedaantes aan. Wij leven voort in de erfenis die we de wereld nalaten, bijvoorbeeld in onze kinderen, in de herinnering van mensen en in de gevolgen van onze daden.

In een interview met Shambala Sun uit januari 2012 legt Thich Nhat Hanh het zo uit: “Het lichaam valt uiteen, maar dit betekent niet jouw dood. Je karma, de acties die je hebt ondernomen, zijn je voortzetting. Je zet jezelf altijd voort.”

Rooms-katholiek
Iemand die ook heeft nagedacht over wedergeboorte in het boeddhisme, is de filosoof Paul Williams. Hij is de auteur van het standaardwerk Mahayana Buddhism: The Doctrinal Foundations (2009). Na een jeugd met een zweem van vaag Anglicaanse invloeden werd hij in de jaren zeventig als volwassene van ‘niets’ boeddhist, in een Tibetaanse traditie. Hij promoveerde op het denken van het boeddhisme en werd als hoogleraar specialist op dit gebied. Inmiddels is hij gepensioneerd.

Na verloop van tijd begon er bij Williams iets te knagen. De boeddhistische visie op wedergeboorte gaf hem een ongemakkelijk, benauwend gevoel. Zozeer zelfs dat hij zich uiteindelijk van boeddhist bekeerde tot rooms-katholieke kerk. De kerk sloot hem graag in zijn armen.

Williams schreef over zijn bekering tot het katholicisme een boek, The Unexpected Way (2002). In 2011 vatte hij zijn ontwikkelingsweg nog eens samen in een hoogst lezenswaardig artikel, ‘On converting from Buddhism to Catholicism’. Lezenswaardig mede omdat hij de boeddhistische opvattingen over wedergeboorte aan een kritische analyse onderwerpt.

Het is van tweeën één, redeneert hij: of er is geen ‘zelf’ en dus niets dat wordt wedergeboren, of er wordt wel iets wedergeboren en dan spreken we over reïncarnatie. In de praktijk, zegt hij, eet het boeddhisme van twee walletjes door deze tweeslachtigheid te laten voortbestaan. Alleen zo kan het mensen aan zich binden die behoefte hebben aan een vorm van zekerheid, zowel over moraliteit tijdens het leven als over wat er gebeurt na de dood. Een strikte grens tussen reïncarnatie en wedergeboorte ziet Williams in de voorstellingswereld van het boeddhisme niet.

Kakkerlak
Wat voor zekerheid is dat eigenlijk die boeddhisme mensen biedt, vraagt Williams zich af. Wie, schrijft hij, zou er wedergeboren willen worden als een kakkerlak in Zuid Amerika? Want dat is in de leer van het boeddhisme, hypothetisch, een van de mogelijkheden. In zijn ogen is er iets loos met deze leer. Karma heeft volgens hem onethische implicaties. Zou, wie in zijn huidige leven problemen ondervindt, dit te wijten hebben aan eigen of andermans handelen in een vorig leven? Dat is uitzichtsloos en misschien ook nog eens oneerlijk.

En wat voor perspectief hebben mensen die niet verlicht raken in dit leven (de overgrote meerderheid) en die niet in staat zijn volgens de boeddhistische voorschriften te leven? Wat voor religie is dat die mensen de erkenning van hun bestaan als persoon, inclusief een persoonlijke verantwoordelijkheid, onthoudt?

Williams noemt het boeddhisme dan ook een religie zonder hoop; wedergeboorte is een hopeloze zaak wanneer je als persoon desintegreert of als kakkerlak opnieuw het levenslicht ziet. Bij het katholicisme vindt hij wel het zwaartepunt dat hij zoekt van de mens en zijn eeuwigheid. Het christendom biedt, in zijn woorden, wel hoop; het boeddhisme niet.

Bijgeloof
De analyse van Williams en de conclusies die hij trekt voor zijn persoonlijk leven, laat ik graag voor zijn rekening. Zijn kritiek is ongewoon scherp, maar hij is in het westerse boeddhisme de enige niet die zich ongemakkelijk voelt bij het leerstuk van de wedergeboorte.

Hoe populair boeddhisme hier ook mag zijn als remedie tegen het lijden dat ons bestaan aankleeft, er wringt iets tussen wedergeboorte en ons culturele zelfverstaan. Omdat religie nu eenmaal ook gaat over onze verhouding tot de dood, kun je dit ongemak niet zo maar als een los eindje van het boeddhisme beschouwen.

Je kunt vanuit het boeddhisme proberen zulke kritiek te weerleggen, maar zou het ook kunnen dat boeddhisme kwetsbaar is op dit gebied omdat het verwarring en onduidelijkheid laat heersen? Want wie zal het zeggen? Is het Thich Nhat Hanh? Is het Sheng-yen? Is het één van de vele, vele andere scholen die iets zinvols te zeggen heeft dat de verwarring en onduidelijkheid over wedergeboorte doorbreekt? Wie onder de boeddhisten spreekt hierover eigenlijk in het openbaar?

Ik ken geen vergelijkende literatuur over dit onderwerp, maar misschien heb ik er niet voldoende naar gezocht. Ik ben wel nieuwsgierig. Gaan alleen verlichte wezens bij hun dood het nirvana binnen? En gesteld dat bodhisattva’s hun verlichting uitstellen om andere levende wezens te bevrijden (de vigerende opvatting binnen Mahayana), waar laat dit de rest van de wereld?

De verwarring en de onduidelijkheid stel ik mede aan de orde omdat deze van invloed is op de aantrekkingskracht die het boeddhisme kan uitoefenen op mensen. Als je alle levende wezens wilt bevrijden, wat heeft het boeddhisme hen dan eigenlijk te bieden met betrekking tot de dood?

Agnostisch
Als boeddhisten zich wel bezighouden met wedergeboorte, dan zie je ze er toch vaak afstand van houden. Eén mogelijkheid is een metaforische interpretatie. Wedergeboorte na de dood moet je niet letterlijk nemen, zo gaat deze gedachtengang. Met iedere ademhaling ga je dood en word je opnieuw geboren. De zes rijken, van hemelbewoners tot hellewezens, bestaan niet werkelijk; je moet dit opvatten als een beschrijving van verschillende gemoedstoestanden die je tijdens je leven in een vaak snel opvolgende afwisseling kunt meemaken.

Een tweede mogelijkheid is een agnostische houding aan te nemen. Wat er na onze dood ook gebeurt, we kunnen het eenvoudigweg niet weten. Je hoeft je niet openlijk tot de wereld te bekennen als een boeddhistische agnost; je kunt deze positie stilzwijgend kiezen.

Actief een agnostische instelling belijden komt ook voor. Stephen Batchelor, een boeddhistische auteur, is een voorbeeld van een uitgesproken, strijdlustige agnost. Buddhism without Beliefs heet een van zijn boeken, uit 1997, heel treffend. Boeddhisme zonder geloof, zeg maar rustig: boeddhisme zonder bijgeloof. Wedergeboorte geldt voor Batchelor als zulk geloof uit vroegere tijden, als een reliek van een kosmologie die niet past bij onze verwetenschappelijkte cultuur. Wat na iemands dood gebeurt, dat valt buiten het bereik van ons weten. Batchelor ziet mogelijkheden voor een boeddhisme zonder de ballast van een achterhaald idee als wedergeboorte.

Andere boeddhisten argumenteren echter dat zonder wedergeboorte de basis aan de Dharma ontvalt. Wat is, zonder dat, het voorwaardelijk ontstaan, karma en de boeddhistische ethiek? Je kunt niet een deel van de boeddhistische leer amputeren zonder dat dit consequenties heeft voor het geheel.

Terugbetalen
Tot dit laatste kamp behoort Thanissaro Bhikkhu, een Amerikaanse theravadamonnik met een ongewoon heldere pen. Er bestaat een boekje van hem, misschien eerder een pamflet, vijfenveertig pagina’s dik, getiteld The Truth of Rebirth And Why It Matters For Buddhist Practice (jaartal onbekend). Het gaat te ver alles samen te vatten wat hij hierin schrijft. Een belangrijke stelling van hem is wel dat wedergeboorte in de boeddhistische leer een onmisbare horizon is. Slechte daden leveren op de korte termijn vaak een positieve beloning op, terwijl goede daden zich pas veel later terugbetalen. Dit is het spiegelbeeld van de interpretatie die Paul Williams op de leer van de wedergeboorte loslaat.

Ik heb uitvoerig geworsteld met vragen over wedergeboorte. Lange tijd heb ik gesympathiseerd met de agnostische opstelling, maar geleidelijk ben ik opgeschoven in de richting die de integriteit van alle onderdelen van de Dharma benadrukt. Op sommige momenten is er inzicht bij mij doorgebroken, zoals inzicht in de diepte en de zeggingskracht van het voorwaardelijk ontstaan, een belangrijk inzicht waaruit vrijwel automatisch al het andere van het boeddhisme voortvloeit.

Hoewel ik er ook over heb nagedacht, is het rijpen van dit inzicht geen intellectueel proces. Hoe ik precies tot inzicht ben gekomen, kan ik niet reconstrueren. Ik zie het maar als een opeenvolging van geschenkjes van de Anderkracht, om te spreken met Shinran, de Japanse boeddhist (1173-1263).

Ook wedergeboorte hoort in dit rijtje thuis. Ik voel me rustig bij het boeddhistische gedachtengoed van geen-geboorte en geen-dood en van wedergeboorte van moment tot moment als bron van bevrijding. Over niets van dit al valt naar mijn gevoel in de conventionele zin echter veel te ‘weten’. In die zin blijft het fijne van deze materie behoren tot het domein van het Grote Mysterie van Vorm en Leegte.

Adaptatieproces
Het is ondertussen wonderlijk tot welke kunstgrepen het boeddhisme in de loop van zijn rijk geschakeerde geschiedenis zijn toevlucht heeft moeten nemen om én trouw te zijn aan de beginselen van niet-zelf én aan te sluiten bij de beleving van mensen die verlangen naar zekerheid over een vorm van persoonlijke voortzetting. Ook in de religie van anatman zijn de sporen van de hunkering naar atman vindbaar. De ‘vaardige middelen’ worden soms opgerekt tot ver in een gevarenzone waar boeddhistisch verloopt in onboeddhistisch.

In het Westen botst het cyclische perspectief met het lineair georiënteerde vooruitgangsgeloof en de materialistische nadruk op dít leven. Naar mijn idee zitten we echter nog maar vroeg in het boeddhistische adaptatieproces. De Dharma is hier nog maar anderhalve eeuw, maximaal twee eeuwen aan het gisten. Als we mogen afgaan op de receptie van het boeddhisme binnen andere culturen, dan kan er de komende eeuwen iets moois ontstaan uit een rijpingsproces waarbij de Dharma versmelt met een wereldbeeld dat getekend is door christendom en wetenschap.

In dat proces moet veel worden uitgebalanceerd. Dit geldt ook voor oude voorstellingen over wedergeboorte. Niemand kan de uitkomst individueel bepalen, al kun je wel individueel kiezen welke voorstelling het beste bij jou past. De versmelting van de Dharma met het cultuureigen van het Westen is eerder een collectief proces waarin de resonantie van boeddhistische voorstellingen met westerse ‘archetypen’ de toon aangeeft. Onvermijdelijk zullen oude beelden hier ook een nieuwe lading krijgen. Dat is de prijs die we betalen om de traditie levend te houden.