De Boeddha woont in Egmond

Net zoals een bijziend boeddhisme zijn verwantschap met het hindoeïsme kan loochenen, zijn wij in staat om verbeten over het geloof van onze vaderen voorbij te gaan aan wat ons verbindt met het christendom

Sint-Adelbertabij, Egmond-Binnen

“Deo vacare stond in het Latijn boven de poort van het klooster waar ik kwam rond mijn drieëntwintigste levensjaar. In dat ‘vacare’ zit de boeddhistische leegte. Leeg worden en God laten binnenstromen’,” schreef ik op 21 mei van dit jaar in mijn artikel ‘Boeddha-Dharma als Boeddha-Dank-U’. Dat artikel koester ik als een kostbaar kleinood. De boodschap ervan blijft in mij na-resoneren.

Drie maanden later, in ‘Nagarjuna omgekeerd’ (22 augustus jl.), hoor ik mezelf de vraag stellen: “Missen we in het westerse boeddhisme niet node kloosters als vindplaats van verdieping?”

Kaarsenfabriek
Dertig jaar na dato bezoek ik de website van het hierboven bedoelde klooster, de benedictijner abdij ‘Sint Adelbert’ in Egmond-Binnen, aan de Noord-Hollandse kust. Er is het een en ander veranderd.

De kaarsenfabriek aan de achterkant van het complex, waar ik ooit dozen met doorzichtig plastic dichtsealde, is uitgebreid tot een bezoekerscentrum. En de spreekkamers naast de hoofdingang aan de voorzijde, waar de paters na de mis op zondag gelovigen ontvingen voor een gesprek, hebben plaatsgemaakt voor een gemoderniseerd gastenverblijf. In mijn tijd leefden de gasten in het hoofdgebouw, dichter met hun neus op het doen en laten van de paters.

Oude manuscripten
De 3D-rondleiding die de website biedt, toont een gemoderniseerde bibliotheek die ik nog heb meehelpen ordenen. Er stonden ongeopende kisten vol met stoffige boeken die de monniken hadden meegebracht die begin twintigste eeuw uit Frankrijk naar het noorden vluchtten, toen de overheid daar een anti-clericale koers vaarde. Voor een historicus waren de oude manuscripten die daaruit soms tevoorschijn kwamen, een lust voor het oog.

Maar de online impressies van het klooster heb ik verder niet nodig. Alle gangen en zalen staan in mijn geheugen gegrift sinds ik er in de zomer van 1984 na een steeds intensievere kennismakingsperiode wegvluchtte. In één ademtocht door fietste ik terug naar Amsterdam waar ik mij met een mede-student op een terras aan het Rembrandtplein tot op de grens van een delirium bezatte aan het Belgische abdijbier om mijn rentrée in de gewone mensenwereld te vieren.

Het was een verwarrende tijd. Ik studeerde in Amsterdam, had een relatie met een vriendin, en bracht periodes door in Egmond en, op aanraden van de paters, in andere kloosters in Nederland, zoals de zusterabdij van de benedictijnen in het Brabantse Oosterhout. Om met Goethe’s Faust te spreken, er kunnen verschillende zielen huizen in een en dezelfde mensenborst.

Ontroering
“Monniken zijn mensen die de stille roep van de Heer hebben gehoord. Misschien wekt hij ook in jou het verlangen om het avontuur te wagen van een leven in gebed en broederlijke dienst om zo de melodie van je eigen leven tot klinken te brengen tot zegen en tot vreugde van de wereld,” lees ik op de website van de Sint-Adelbertabdij.

Een bijzondere ontroering maakt zich van mij meester. In mijn hart beluister ik de stem van een monnik die een stille roep heeft gehoord, niet van de God van Abraham, maar van de Boeddha. In andere delen van de wereld hebben zulke monniken van oudsher gehoor gegeven aan het verlangen om het avontuur te wagen van een leven in studie, meditatie en broederlijke dienst om zo de melodie van de Dharma in hun leven tot klinken te brengen, tot zegen en tot vreugde van de wereld.

Net zoals een bijziend boeddhisme zijn verwantschap met het hindoeïsme kan loochenen, zijn wij in staat om verbeten over het geloof van onze vaderen voorbij te gaan aan wat ons verbindt met het christendom. Ik weet het zeker, in de Sint-Adelbertabdij van toen en nu woont de Boeddha gebroederlijk samen met Jezus. Je kunt er op een willekeurige dag heen gaan om jezelf ervan te overtuigen.

Oorsprong van de sangha
Gautama Boeddha was de stichter van een in hoofdzaak monastieke beweging die later, onder historische omstandigheden, een kloosterorde werd. Het dichtstbijzijnde gelijksoortige model van leven vinden wij in rooms-katholieke kloosters, zoals de Sint-Adelbertabdij. Er zijn in Europa nog altijd meer katholieke kloosters dan boeddhistische.

Voor zover katholieke kloosters nog bewoond worden door broeders en zusters, zou het goed zijn voor boeddhisten hier de Boeddha eens te gaan opzoeken. Kijk heen door het doctrinaire (dus ogenschijnlijke) verschil dat God en gebed in ons opwekken. Zien wat de oorsprong was van de sangha, meemaken hoe het is om jezelf in een communiteit weg te cijferen tot zegen en tot vreugde van de wereld, het is voer voor bezinning op de wortels van het boeddhisme.

En ook als je wilt weten in welke grond boeddhanatuur goed gedijt, of je Dogen’s zijnservaring van de tijd (‘Uji‘) aan den lijve wilt ondervinden, ben je daar aan het juiste adres.

Ruimte voor leegte
Of ‘vindplaats van verdieping’ de beste beschrijving is van kloosters, ga ik bij nader inzien betwijfelen. Het zijn eerder plaatsen waar men ruimte schept voor leegte; of dat nu de leegte is van Deo Vacare of van wat een boeddhist hieronder verstaat, dat doet aan het beginsel geen afbreuk. In plaats van in elkaars armen te kruipen als boeddhisten, zouden we ook onze inspiratie kunnen vinden bij wat ons in het andere eigenlijk zo nabij zou horen zijn.

In het lekenhart van iemand die zich ten diepste verbonden heeft met de gewone mensenwereld, beluister ik tot op de dag van vandaag de echo van een stem die een stille roep heeft gehoord. Laten wij die stille roep koesteren, die oermenselijke intuïtie van de mogelijkheid van heling van een leven dat zich hoe dan ook afspeelt in een existentiële breuk.

In elkaar de gebrokenheid herkennen is de oorsprong van compassie met de ander. Het kan ook een bron van motivatie zijn om een spirituele kronkelweg tot het einde te willen gaan. Van welke soort traditie die weg is, doet er volgens mij minder toe dan wij denken of zouden willen geloven.

14 gedachten over “De Boeddha woont in Egmond”

  1. Beste Jules,

    Natuurlijk heb je gelijk.
    En het is in het verleden reeds in vele toonaarden geduid en bezongen.
    De vele overeenkomsten tussen mystiek en boeddhisme.
    In bovenstaand stuk beken je je tot je RK wortels.
    Eindelijk duidelijk, niets mis mee.

    Maar wat ik zo triest vind is dat vervolgens in het boeddhisme de “post RK” (ik weer geen andere korte term om te duiden, sorry), personen veelal wel zeer overtuigd zijn van de positieve overeenkomsten tussen mystiek en boeddhisme maar dat ze veelal ook bijna genetisch bepaald blijken te zijn door de verkeerde oude RK machts kerk imperatieven.
    Dat daar duidelijkheid over vermeden wordt.
    Blijkbaar wordt zelfreflectie wel van anderen verwacht, maar acht men zichzelf dan al al te heilig?

    Helaas dus, veelal bouwt men in het Boeddhisme, geleid door onbewuste imperatieven, dezelfde machtskerkjes die men net in het verkeerde Christendom verlaten had. Of wenst men daar al dan niet stil zwijgend schatplichtig aan te zijn.
    Bedient men zich van dezelfde, ietwat heimelijke trucs om zich buiten elke aanspraak te stellen om toch de eigen, veelal verkeerde, weg weer te kunnen gaan?

    Beste Jules, vervolgens de door jouw gebezigde hoogdravende woorden als compassie etc., – zijn allemachtig prachtig, maar als je zelf een discussie wenst aan te slingeren, – zoals je in het verleden herhaaldelijk gedaan hebt-, en vervolgens je van elke uitwisseling van inzicht wenst te vrijwaren…wat kopen we voor al die mooie woorden?

    In hoeverre zijn je stukken dat in dat geval niet meer dan heimelijk aandacht vragende belletjes trekkerij?
    Waarna als het echt serieus wordt, -het werkelijke openbarende inzicht zou kunnen dagen-, je hard wegloopt voor de gedachte consequenties…?

    Woorden, woorden, woorden…preken..preken….

    Practice what you preach…

    Eric M Stols.

    Einstein kwam Marilyn Monroe tegen.
    “Zullen we samen een kind maken, vroeg Marilyn Einstein.
    “Krijgen we een kind met mijn uiterlijk en uw hersenen”, opperde Marilyn…

    “Het lijkt mij geen goed idee”, antwoordde Einstein,
    “Het zou net zo goed kunnen zijn dat we een kind krijgen met mijn uiterlijk en Uw hersenen”…

    Like

    1. Dank voor je reactie.

      We lijken het over veel eens te zijn.

      Er is een parallel tussen jouw insteek en die van Rob Hogendoorn (zie de discussie van hem en mij hieronder). Jullie hanteren macht en institutionele structuren als focus en ik religie en religieuze uitwisseling.

      Dan over het punt dat ik discussie zou mijden. Dat geloof ik zelf allerminst. Ik ga er echter van uit dat je in de reactiekolom zoveel mogelijk aan korte vragen en antwoorden doet.

      Soms reageren lezers met een totaal andere wending aan een artikel. In het begin ben ik daarin meegegaan, met het effect dat je antwoorden en tegenantwoorden krijgt die de lengte van complete artikelen benaderen. Daar had ik na een tijdje de energie niet meer voor.

      Andere lezers willen graag dat je recht doet aan hun zienswijze door dit in hun taalgebruik uit te schrijven, terwijl dit reeds is geïmpliceerd in mijn artikel. Ook daar pas ik voor.

      Als mensen zich werkelijk geroepen voelen tot een uitgebreide discussie, dan nodig ik ze graag uit hun zienswijze in een eigen artikel te vervatten. Dat doe ik ook wanneer ik denk iets wezenlijks te zeggen te hebben over iemands bijdrage elders. Dit kan een manier zijn om een discussie te initiëren.

      Maar verder meen ik dat ik over het algemeen ieder die reageert, op een faire manier antwoord geef, al sta ik open voor kritiek en verder leren in dit opzicht.

      En wat betreft ‘practice what you preach’, daarover zijn we het helemaal eens. Mijn schrijven zie ik ondertussen als een proces van dharma delen, van zaadjes zaaien en van precies het soort uitwisseling van gedachten die in deze discussie van jou en mij plaatsheeft.

      Like

  2. ‘Net zoals een bijziend boeddhisme zijn verwantschap met het hindoeïsme kan loochenen, zijn wij in staat om verbeten over het geloof van onze vaderen voorbij te gaan aan wat ons verbindt met het christendom.’ Reken je je hier niet rijk, Jules? Misschien moet je het omdraaien.

    Ken je het boek ‘Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek’ van Arend Lijphart? Kenmerkend voor het verzuilingsdenken is de neiging de religieuze of politieke overtuiging als een organiserend principe te hanteren dat het hele maatschappelijk samenleven beheerst. Een ander kenmerk is dat het neerkomt op een vorm van hiërarchisch, en zelfs autoritair of autocratisch, denken. Verdere kenmerken zijn segregatie aan de basis, communicatie aan de top.

    Traditioneel staan zuilen onder leiding van personen die samen uitmaken wat goed is voor de massa. Het is een vorm van denken die veel aantrekkingskracht uitoefent op autoritair, zo niet autocratisch denkende types. In wezen is het denken in termen van zuilen dus een mentaliteit. En in mijn ogen vormt die mentaliteit een probleem voor de receptie van boeddhisme in onze samenleving en cultuur.

    De vraag is hoe dit verzuilingsdenken zich tot uiterst heterogene, nieuwe religieuze bewegingen als boeddhisme, hindoeïsme, en islam verhoudt, die geen van alleen een centraal leergezag (er)kennen en dateren van na het verzuilingstijdperk. Ik zeg: niet of slecht. Wat mij betreft is een van de grootste problemen die Nederlandse boeddhisten plagen dan ook de volslagen a-kritische receptie van boeddhisme door westerse bekeerlingen.

    Deze zorgt ervoor zorgt dat het boeddhisme hier—terwijl bijna niemand er erg in heeft—zonder meer hier geldende, eeuwenoude culturele, religieuze, en institutionele patronen overneemt: kerk, zuil, kopmannen, ouderlingen en dominees. Het verzuilingsdenken past veel boeddhisten als een handschoen!

    Als je het niet erg vindt citeer ik even uit eigen werk—het betreft een voordracht die ik in 2009 hield bij de lancering van het zeer lezenswaardige ‘Lotus in de Lage Landen’ van Marcel Poorthuis en Theo Salemink.

    ‘Ook herinnerde ik me het boek “The Unexpected Way”, van de bekende Engelse Tibetoloog Paul Williams. Na twintig jaar het Tibetaans boeddhisme te hebben bestudeerd en beoefend, deed Williams zichzelf en zijn omgeving op een dag versteld staan. Niet alleen bekeerde hij zich tot het rooms katholieke geloof, hij kwam ook nog eens tot de conclusie dat die stap rationeler was dan zijn oorspronkelijke ‘bekering’ tot het boeddhisme!

    In zijn boek geeft Williams zich rekenschap van deze ontwikkeling, en onderzoekt de argumenten voor zijn keuze. Hij merkt op dat het Tibetaans boeddhisme hem niet zozeer had overtuigd, maar eerder was overkomen. Williams verklaart dit door vast te stellen dat de religieuze tradities van het boeddhisme zich er kennelijk goed toe lenen te worden verwoord op een wijze die in onze hedendaagse, individualistische, westerse cultuur heel aannemelijk klinkt. Aannemelijker dan andere, in ieder geval.

    Want, zegt hij: ‘Er zijn boeddhisten, of mensen die overwegen boeddhist te worden, die, zodra ze stilstaan bij wat diep in hun innerlijk leeft, best christen zouden willen zijn, als het christendom op hen niet zo’n bizarre, ongeloofwaardige indruk zou maken.’

    Maar, zo voegt hij er vlug aan toe, hij vermoedt tegelijk dat veel westerse boeddhisten, net als hij, eigenlijk altijd christen gebleven zijn. Hun beeld van ‘het boeddhisme’ komt volgens Williams vaak neer op een christelijk geloof ontdaan van onwelgevallige eigenschappen. Volledige bekering valt kennelijk nog niet mee.”

    Het cultiveren van een (zelf-)kritisch discours kan tegenspel bieden aan die a-kritische, crypto-christelijke mentaliteit. Joop Romeijn is (bij mijn weten) de eerste die daarop wees. Ik kan tientallen initiatieven bedenken die boeddhisten op dit vlak zouden kunnen ontplooien, maar ze komen uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer: het gezamenlijk cultiveren van een (zelf-)kritisch discours. Veel boeddhistischer kan het niet, denk ik.

    Let wel: zolang het aangenaam blijft kan wat je doet geen denken zijn. Denken is onaangenaam: dit is de reden waarom mensen zich er zo min mogelijk aan overgeven. Ik denk: het effect van meditatie wordt door boeddhisten zwaar overschat, en het effect van nadenken wordt zwaar onderschat. Wat zou ik anders zeggen: mijn voorbeelden zijn Tsongkhapa en Gendun Chöpel.

    Like

    1. Dank voor je uitgebreide reactie.

      Als historicus ben ik uiteraard vertrouwd met de verzuiling; ik ben er zelfs op afgestudeerd (op een onderdeel ervan).

      Met de verzuiling geef je een draai aan mijn artikel. Mijn focus ligt op de dimensie religie, die van jou op het organiserend principe. Dat geeft aan waar jouw belangstelling ligt en waar de mijne.

      Zelf neem ik in mijn artikel afstand van een verzuilingstendens in boeddhistische kring met deze zin: “In plaats van in elkaars armen te kruipen als boeddhisten, zouden we ook onze inspiratie kunnen vinden bij wat ons in het andere eigenlijk zo nabij zou horen zijn.”

      Uiteraard wordt de receptie van het boeddhisme in Nederland mede beïnvloed door onze culturele kaders, waarbij ik in de eerste plaats denk aan onze historisch gevormde gedachtenstructuren en jij mogelijk aan verzuilingsgedrag. Het een heeft waarschijnlijk een interactie met het ander.

      Maar dat is in de geschiedenis van het boeddhisme nooit anders geweest. Overal waar het aan vreemde kust geland is, heeft het lokale vormen geabsorbeerd en ook een zekere eigenheid behouden. Dat heeft mooie vernieuwingen te zien gegeven.

      Ook de Nederlandse (of westerse) receptie doet nieuwe vormen van boeddhisme groeien. Mogelijk krijgt boeddhisme in Nederland karakteristieken van verzuiling mee, maar vergeet niet dat de maatschappelijke panelen allang weer verder zijn doorgeschoven. Dus boeddhisme hier zal ook eigentijdse sociale trekken meekrijgen.

      Alles in de geschiedenis is altijd in een proces van verandering; je kunt die verandering ook over het hoofd zien door al te strak aan verzuiling als perspectief te blijven vasthouden.

      Like

      1. Je bent vooral optimistischer dan ik, denk ik. Voor mij staat helemaal niet vast dat na het verdwijnen van de babyboom-generatie in Nederland boeddhisme overblijft dat het bespreken, overdenken of beoefenen waard is. De demografie van de boeddhistische gemeenschap voorspelt weinig goeds. Boeddhistische centra worstelen—net als sportverenigingen, bijvoorbeeld—steeds meer met een gebrek aan inkomsten en een gebrek aan vrijwilligers. Die problemen gaan de komende vijf, tien jaar toenemen.

        De Nederlandse boeddhistische gemeenschap heeft geen leraren voortgebracht wier namen en maatschappelijke betekenis lang na hun dood zullen voortleven. Voor mij is het echt de vraag of hun boeddhisme het niveau van tijdverdrijf en verstrooiing te boven gaat. Aziatische leraren houden het steeds meer voor gezien. De hippies hebben zich kostelijk met hen geamuseerd, en doen dat nog, maar daarvoor lenen jongere generaties leraren zich niet nog eens, schat ik. De hogere eisen die aan hen—net als aan andere immigranten—worden gesteld maken een langdurig verblijf ook steeds minder aantrekkelijk.

        Het zou dus goed kunnen dat de poging tot een brede receptie van boeddhisme sinds de jaren ’60 de enige poging blijft. Dat overkwam ook de volgelingen van Bhagwan Sri Rajneesh en Maharishi Mahesh Yogi: zij bestaan nog steeds, maar als een volstrekt marginaal verschijnsel. Denk ook aan yoga, dat van levensbeschouwing werd gereduceerd tot een keuze op de tarieflijst van sportscholen. Mindfulness staat bloot aan precies dezelfde dynamiek, en er zijn geen aanwijzingen dat dit experiment met ‘verwestersing’ beter gaat slagen.

        Ik ben geneigd verzuilde vormen van boeddhisme als pseudo-receptie van pseudo-boeddhisme te zien. Het is zoiets als het zwemmen in zand of schaatsen op water. Het doet vaag aan boeddhisme denken, maar het oogt futiel. Kortom, het boeddhisme, of, preciezer, de boeddhadharma, is misschien wel bestand tegen verzuilingsdrang, maar dat betekent niet dat ze in Nederland gegarandeerd toekomst heeft. Recepties kunnen ook mislukken, natuurlijk.

        Like

      2. Boeddhisme als institutie heeft in de geschiedenis altijd een getijdebeweging van eb en vloed gekend.

        Het gaat mij echter niet om boeddhisme als institutie maar om het in elkaar ontsteken van het licht van inzicht, om het doorgeven van de Dharma als inspiratiebron van bevrijding. Jouw stellingname dat we te maken hebben met ‘pseudo-receptie van pseudo-boeddhisme’ vind ik in mijn evolutionaire perspectief bij gebrek aan een normatieve standaard ongefundeerd en onnodig fatalistisch.

        We zitten in het westerse boeddhisme nog maar in het begin van het omwoelen van onze verstaanshorizon. Receptie, zo leert de historie, kan zich uitsmeren over vele eeuwen. Opschonen van het verstaan van de Dharma kan binnen dit proces op gezette tijden wel nodig zijn, zoals de ontwikkeling van boeddhisme in bijvoorbeeld China en Japan te zien heeft gegeven.

        Het licht van inzicht schijnt mij lang niet altijd bij; verduistering is eerder regel en inzicht uitzondering. Maar ik ontleen aan dat sporadische inzicht wel een vertrouwen in de weg, dat alleen maar sterker is geworden sinds ik van de familie Boeddha naast Gautama ook zijn oudere broer Amida in het vizier heb gekregen.

        Als je mijn artikelen volgt, dan zie je dat de dynamiek van zelfkracht en anderkracht een thema voor mij is geworden. Mij valt op dat we ons als westerse boeddhisten vaak laten inspireren door inzichten uit monastieke tradities terwijl we zelf meestal niet zijn vrijgesteld voor leven in een monastieke discipline.

        Voor mij persoonlijk is een vraag hoe we naast en in aanvulling op zelfkrachtboeddhisme ook meer anderkrachtboeddhisme (volksboeddhisme, zo je wilt) ontwikkeld kunnen krijgen.

        Nogmaals dank voor je bijdragen aan deze, vind ik, belangwekkende gedachtenwisseling.

        Ik zie jouw benadering en de mijne niet als of-of, maar als en-en. Daar waar er raak- of snijpunten zijn kunnen we het eens zijn of niet, maar jouw reageren en doorvragen is voor mij brandstof voor én nadere gedachtenvorming over de issues én het mijzelf bewust maken en articuleren van mijn invalshoeken.

        Like

  3. Dat een receptie zich kan uitstrekken over eeuwen is een feit. De hamvraag is of een receptie ook kan mislukken. Hier zet juist een evolutionair perspectief aan tot realiteitszin. In elk tijdperk wedijveren verschillende soorten zingeving om aandacht. In de loop van eeuwen en zelfs millennia zijn talloze (proto-, pseudo-)religies en (proto-, pseudo-)religieuze ideeën door onze delta gespoeld zonder in het heden zichtbare sporen achter te laten. Dat het boeddhisme ‘onze’ verstaanshorizon ooit zal ‘omwoelen’ is nog lang geen uitgemaakte zaak.

    Vergeet niet: het enige verschil tussen de voorouders van de soort ‘mens’ en aanverwante soorten is dat de laatsten geen nakomelingen tot in het heden hebben voortgebracht. Net zo is de evolutionaire geschiedenis een kerkhof vol religieuze ideeën en betekenissen die het niet hebben gered. Ze namen óf geen vaste vorm aan, óf de vorm die ze aannamen was niet tegen de tand van de tijd bestand. Dat lijkt mij een zeer reëel scenario voor verzuilde vormen van boeddhisme. Het verdwijnen ervan lijkt me een kwestie van tijd, en ik zie niets anders opdagen dat de plaats ervan inneemt.

    Eén aanwijzing daarvoor is de volslagen onzichtbaarheid van Nederlandse boeddhistische leraren. Buiten hun eigen sangha’s weet echt helemaal niemand wie Nico Tydeman, Han de Wit, Ton Lathouwers, Jiun Hogen Roshi, Jotika Hermsen, enz. zijn, wat hen beweegt, hoe zij denken, hoe zij zich ontwikkelen, wat nu eigenlijk hun geestelijke nalatenschap is. De ‘beweging’ die zij leiden heeft maatschappelijk net zo veel betekenis als die van Lou de Palingboer, en loopt het risico hoogstens als curiosum herinnerd te worden. Zo van: ‘O ja, dat is waar ook, die gekke babyboomers, die werden een eeuw geleden ineens allemaal boeddhist.’

    Mensen zijn geneigd te onderschatten hoe gemakkelijk—hoe snel, hoe voorspelbaar, hoe onomkeerbaar—zich een culturele neergang kan voltrekken. Ik werd voor het eerst met die gedachte geconfronteerd bij het lezen van ‘Dark Age Ahead’ (2004) van Jane Jacobs. Zij waarschuwt dat de teloorgang van inheemse culturen wereldwijd onomkeerbaar is zodra deze vergezeld gaat van massaal geheugenverlies:

    ‘Als ontvangers maar ook als dragers van een cultuur zijn mensen talloze nuances indachtig die alleen maar kunnen worden ervaren.’ Zodra een cultuur niet langer mondeling wordt doorgeven en voorgeleefd verdwijnt deze voorgoed in de vergetelheid. Daarvan is geen herstel meer mogelijk, hoogstens reconstructie.’

    Ik heb dat inzicht al eens geïllustreerd door het lot van Tibetanen te vergelijken met dat van Noord-Amerikaanse Indianen:

    ‘Nadat de Europeanen Noord-Amerika veroverd hadden, vertelt Jacobs, poogden Indianen hun cultuur eerst aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Weldra een minderheid in eigen land, zagen zij zich echter steeds verder teruggedrongen in reservaten waarbinnen geen aanpassing meer mogelijk was. Daarop gaven de Indianen—in navolging van de bezetter of omwille van alcohol, wapens of voedsel—sommige culturele praktijken vrijwillig op, terwijl andere door onbruik langzaam maar zeker werden vergeten.

    Met het vervagen van de herinnering aan de oude cultuur veranderde alles: hun taal, godsdienst en rituelen; de samenstelling van huishoudens en gemeenschappen; voedingsgewoonten; begrippen als ‘eer’, ‘schaamte’ en ‘waardigheid’, enzovoorts. Toen de Indianen eenmaal beseften hoeveel verloren was gegaan gingen ze in musea en privé-collecties lukraak op zoek naar verloren gegane informatie Maar de tijd had niet stilgestaan, en de taal van schimmen uit een ver verleden werd door niemand meer verstaan.’

    En verder: ‘Boeddhistische rituelen, schilderingen en teksten spreken immers niet voor zich. Ze staan niet buiten de tijd, maar ontlenen hun kracht aan de schakering aan betekenissen die de levenden aan elkaar weten door te geven. Wijsheid of mededogen worden niet geschilderd, verbeeld of opgetekend, maar belichaamd in de hoofden en harten van maar al te sterfelijke exponenten.’

    Kortom, voor mij blijft de vraag: reken je je niet rijk? Is de christen in ons niet sterker dan de boeddhist?

    PS: zie voor de tekst die ik aanhaal: http://www.robhogendoorn.nl/2014/03/tibet-land-van-vergetelheid/

    Like

    1. Receptie kan mislukken. Receptie van boeddhisme kan ook lukken en toch kan het later weer uitsterven en al dan niet eeuwen later terugkeren. Het is in de geschiedenis allemaal gebeurd. Dit is inbegrepen in wat ik noem: de getijdebeweging van eb en vloed.

      Maar het is wat betreft het Nederlandse boeddhisme van nu ook koffiedik kijken. Over heden en toekomst ga ik verder geen discussie aan. Werken aan spirituele ontwikkeling, daarbij ligt voor mij het primaat. Werken aan overdracht zonder te weten of die lukt, dat doe je in het vertrouwen dat je er goed aan doet. Dat vertrouwen is altijd de smeerolie van de dharmatransmissie geweest. Ik deel zelf ook in dat vertrouwen.

      De woorden over eigentijdse leraren laat ik geheel voor jouw rekening. Bekendheid verwerven is gelukkig geen criterium of succesfactor voor leraarschap. De overdracht van de Dharma tot op de dag van vandaag danken we mede aan vele onbekende leraren en anderen van wie we de naam eveneens niet meer kennen.

      Like

      1. Ik bespeur een wending die ik vaker zie: uiteindelijk stel je steeds weer je eigen, persoonlijke beleving van boeddhisme centraal. Dat mag natuurlijk, maar het is een ander onderwerp. Eerder schreef je: ‘Voor mij persoonlijk is een vraag hoe we naast en in aanvulling op zelfkrachtboeddhisme ook meer anderkrachtboeddhisme (volksboeddhisme, zo je wilt) ontwikkeld kunnen krijgen.’ Dat is inderdaad de vraag, maar zolang je het antwoord daarop alleen uit je persoonlijke beleving (optimisme, vertrouwen, hoop, wensdenken misschien) blijft putten kun je dit soort vragen beter niet publiekelijk stellen.

        Hoe dat ook zij: Koffiedik kijken? Daar geloof ik helemaal niets van: receptie is geen toevalsdistributie! Nieuwe religieuze bewegingen gaan door stadia die zijn gedocumenteerd, receptiegeschiedenissen kenmerken zich door patronen en symptomen die kunnen worden gevolgd, besproken, bijgestuurd. Lees de geschiedenis van Tibet er op na: in de middeleeuwen werden hierover al concrete gedachten ontwikkeld.

        Ik heb het ook niet over de naamsbekendheid van leraren: ik heb het over de bekendheid met hun denken, moraliteit, enz. en relativeer het belang en de betekenis daarvan. Buiten hun eigen kring is hun impact nihil. In Nederland bestaan vele honderden, zo niet duizenden van dit soort kringen, elk met hun eigen leraren, voorgangers, geestelijk leiders, die in onder hun volgelingen in hoog aanzien staan. Verreweg de meeste ervan ontstaan, bestaan en vergaan in dezelfde obscuriteit waarin volgens mij ook het boeddhistische zuiltje begint te verdwijnen.

        Een ander voorbeeld dat vragen opwerpt over de kansen van een volwassen receptie van boeddhisme in onze samenleving: boeddhistische centra zijn echte doorgangshuizen. Boeddhisten—ervaren inbegrepen—slagen er misschien wel in belangstelling te wekken—al neemt nu ook dit af—maar niet om deze langdurig vast te houden. Er zijn sinds eind jaren ’90 naar schatting tienduizenden personen door tientallen centra gestroomd, nog niet een fractie waarvan is gebleven. De harde kern van zelfs de grootste sangha’s bestaat uit hooguit enkele tientallen personen—vandaar het nijpend worden van inkomsten en vrijwilligers.

        Ik zou zeggen: ga op onderzoek uit, vraag rond, verzamel data, lees je in en baseer daarop je inbreng in discussies over het ontwikkelen van ‘volksboeddhisme’.

        Like

      2. Dank voor je adviezen en vermaningen. Ik vervolg echter gewoon mijn weg van spiritualiteit, studie en schrijven, voor eigen rekening en risico.

        De maakbaarheid van de wereld en onze invloed daarop is maar zeer beperkt. Ons naar vermogen richten naar de Dharma en verder vertrouwen op de compassie die de anderkracht vertegenwoordigt, is naar mijn idee het maximaal haalbare.

        Like

  4. Allereerst Jules,

    Dank voor je reactie.
    Ik hoop dat het goed met je gaat.

    En voor de goede orde, natuurlijk laaf ik mij ook uit de overeenkomsten tussen mystiek en boeddhisme, inderdaad vele voorbeelden ten over.
    Daar vinden wij elkaar volstrekt..

    Verder een korte bondige reactie a.d.h.v. citaten uit jouw mail;

    “Jullie hanteren macht en institutionele structuren als focus en ik religie en religieuze uitwisseling.”.

    Ik ben bang dat het toch anders ligt.
    Als je werkelijk van uit DE ERVARING je wenst op te stellen, niet al te dociel je vanuit moeizaam verworven innerlijke kracht e.e.a. wenst te bevragen kom je al ras tot de verbijsterende ervaring dat er veel meer inperkende instanties/ personen zijn dan dat je ooit aanvankelijk had kunnen vermoeden.

    En natuurlijk zou ik e.e.a., zoals jij veronderstelde, ook in een eigen verhaal kunnen vatten, maar dan wordt e.e.a. sowieso, zoals ook deze reacties, niet op bijv. B.D. geplaatst.
    Zie verder boven.

    Dan je eigenlijk motiverende allerlaatste opmerking.

    “Voor mij persoonlijk is een vraag hoe we naast en in aanvulling op zelfkrachtboeddhisme ook meer anderkrachtboeddhisme (volksboeddhisme, zo je wilt) ontwikkeld kunnen krijgen”.

    Het blijkt een mooi en loffelijk streven.
    Jij schrijft, heb ik de indruk, bovenal van uit de abstractie, de huiskamer wenselijkheid zo als het zou moeten zijn.
    Ik bovenal uit ervaring in het Hollands Boeddhisme in vele sangha’s, meen daarom de praktijk redelijk te kennen.
    In het Hollands Boeddhisme is de “zelf” kracht nauwelijks of niet ontwikkeld.
    Een andere, maar niet oninteressante discussie is of het Boeddhisme anders bedoeld is dan in een zelf disciplinerende setting om paradoxaal vrij te kunnen worden van het verkeerde “zelf”, de zelf conditionerende externe condities (waaronder verkeerde/ gecorrumpeerde ander kracht).

    Als je je dan op de ander kracht wenst te richten, zoals in het geïnstitutionaliseerde Christendom vooral gebruikelijk is (excuses wederom voor de generalisaties) dan is het geen “aanvulling of naast” zoals jij veronderstelt, maar een verdere vervorming op reeds oude bestaande vervormingen.

    En je spreekt je zelf in die zin ook tegen?
    Je beweert immers eerder dat het Boeddhisme in Nederland nog steeds zich moet ontwikkelen.
    Dat men nog nauwelijks begonnen is.
    Als ik de bekende leraren benader blijkt dat altijd ultimo ten laatste leste het enige overblijvende excuus te wezen.
    Triest, we zijn inmiddels meer dan een halve eeuw verder, en als de “leraren” dat nog steeds als laatste excuus wensen te hanteren terwijl dat hen vervolgens niet schijnt te hoeven te weerhouden van allerlei andere hoogdravende claims, aspiraties, klooster wensen…?

    En dan, – een gewenste aanvulling van iets naast wat nauwelijks of vervormd bestaat, – dat wordt een vervorming in het kwadraat…?
    Of meer van het oude hetzelfde wellicht?

    En inderdaad, wellicht nolens volens, in de werkelijkheid dan wederom al te snel slechts een aanvulling op reeds de alom aanvattende conditionerende machts imperatieven blijkt te betekenen…?

    Hartelijke groeten,
    Eric Stols.

    Like

    1. Ik doe wat ik binnen mijn beperkingen kan, schrijvend en anderszins. Verder is een halve eeuw in de geschiedenis een peulenschil. Het duurde in China alleen al eeuwen voordat ze erachter kwamen dat ze het boeddhisme niet goed begrepen. Pas daarna kon de receptie goed en wel beginnen. Als historicus heb ik geleerd dat we moeten oppassen met een oordeel over onze eigen tijd. Zo’n oordeel is in het algemeen voorbehouden aan latere generaties, die door de distantie minder bijziend zijn.

      Like

  5. Prast at Last?

    Beste Jules,
    Met bovenstaande kan ik dus helemaal niets mee.
    Ik heb 50 jaar genoemd voor de geschiedenis van het Hollands Boeddhisme.
    De facto is het natuurlijk meer. Zie Poorthuis.
    En misschien is 50 jaar weinig, maar nogmaals anderzijds heeft het de ” Hollandse leraren” niet geremd in hun aspiraties en beloftes.

    Maar de facto lijkt mij bovenstaande “antwoord” van jou nu juist het “antwoord” wat we niet moeten hebben?
    Immers, je gaat niet op de aangedragen feitelijkheid, motieven in.
    Je beroept je ex cathedra op een vermeende expertise abstracte autoriteits kennis (Historicus).
    Je wenst dus niet op de aangedragen inhoudelijkheid in te gaan maar komt met generalisaties en dooddoeners.
    Intellectualiseert alles weg in een schijnbaar inhoudelijke woordenbrij.
    Dat is nu precies wat ik belletjes trekkerij noem.
    Eerst iets agenderen en vervolgens wegvluchten en wegschuilen in generalisaties en niet to the point willen komen.
    Of alles minzaam neerbuigend post katholiek post jezuïtisch wegrationaliseren/ verculturiseren, zoals je wilt.
    “Oppassen met een oordeel over onze eigen tijd..etc.”

    Eric.

    Like

Reageren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s